Vrije beroepen onderworpen aan bepalingen WMPC

Vrije beroepen onderworpen aan bepalingen WMPC

Op 30 mei 2014 werd de wet van 15 maart 2014 houdende de invoering van Boek XIV “Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende de beoefenaars van een vrij beroep” gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Boek XIV kwam tot stand naar aanleiding van enkele arresten van het Europees Grondwettelijk Hof waarin werd geoordeeld dat de bestaande uitsluiting van de vrije beroepen (advocaten, architecten, dokters, apothekers, etc.) uit het toepassingsgebied van de Wet van 6 april 2010 betreffende de Marktpraktijken en de consumentenbescherming (nu vervangen door Boek VI van het Wetboek voor Economisch Recht) ongrondwettelijk was.

Onder druk van Europa namen de kabinetten van ministers Turtelboom, Laruelle en Vanden Lanotte vervolgens het initiatief om de bestaande dienstenwetgeving van 2 augustus 2002, die al een resem verplichtingen oplegde aan de beoefenaars van vrije beroepen m.b.t. misleidende en vergelijkende reclame, onrechtmatige bedingen en overeenkomsten op afstand, verder uit te werken en onder te brengen in een afzondelijk boek binnen het Wetboek voor Economisch Recht.  

De specificiteit van de vrije beroepen versus de “normale” handelaars noodzaakt immers een onderscheiden benadering. Een onderscheid dat trouwens erkend wordt in de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken uit 2005.

Dit neemt niet weg dat Boek XIV grotendeels  de regelgeving, die werden ingevoerd ten gevolge van de opeenvolgende reguleringen betreffende de marktpraktijken en de consumentenbescherming, herneemt, doch met de nodige (al dan niet louter legistieke) aanpassingen ten gevolge van het bijzonder karakter van de vrije beroepen.

In de eerste plaats heeft de wetgever de definitie van het begrip “beoefenaar van een vrij beroep” verfijnd door te bepalen dat de beoefenaar zijn beroep dient uit te oefenen op een onafhankelijke wijze, zonder daarbij verantwoording verschuldigd te zijn. Tevens wordt  vooropgesteld dat de beoefenaar onder het toepassingsgebied van deontologische regels van een tuchtorgaan dient te ressorteren, gehouden is tot permanente vorming en geen koopman (in de zin van de WMPC) mag zijn. Tot slot wordt gewezen op het bestaan van een vertrouwensrealtie met zijn cliënteel en dient er sprake te zijn van het verrichten van intellectuele prestaties die kenmerkend zijn voor het debetreffende vrije beroep.  Indien deze voorwaarden niet cumulatief vervuld zijn, is er geen sprake van de uitoefening van een vrij beroep en dient te worden teruggegrepen naar Boek VI waarin de wetgeving m.b.t. “normale” ondernemingen terug te vinden is.

Vervolgens worden in Boek XIV een aantal verplichtingen behandeld die de precontractuele sfeer betreffen, meer bepaald aangaande het voeren van reclame voor de aangeboden producten/diensten, alsook wordt een algemene informatieplicht en eenduidige prijsaanduidingsplicht in het leven geroepen.

Zo wordt de beoefenaar verplicht om de belangrijkste kenmerken van de aangeboden producten/diensten schriftelijk en ondubbelzinnig mede te delen aan de consument, alsook  zijn identiteit en de totale prijs (incl. BTW en overige taksen) dewelke zal worden aangerekend, of minstens de manier waarop deze prijs moet worden berekend (bv. aan de hand van tarieflijsten), mede te delen. Er dient eveneens te worden gecommuniceerd op welke wijze de producten/diensten betaald dienen te worden, welke waarborgen eventueel worden aangeboden, alsook de eventuele duurtijd van de dienstverlening.

Een belangrijke nuance hierbij is dat deze informatie niet explicietdient te worden vermeld voor zover de desbetreffende informatie duidelijk kan worden afgeleid uit de feitelijke context. De verplichting tot prijsaanduiding van diensten is trouwens de uitzondering op de regel, vermits deze verplichting enkel geldt ten aanzien van “homogene diensten” (dit zijn diensten waarvan de eigenschappen en modaliteiten identiek of gelijkaardig zijn, ongeacht de plaats, het ogenblik of de persoon waarvoor zij bestemd zijn).

Wat de reglementering inzake reclamebetreft, wordt door menig observant betreurd dat de verschillende bepalingen niet gebundeld werden, maar verspreid werden over verschillende onderdelen van Boek XIV. Zo is de reglementering inzake vergelijkende en misleidende reclame niet enkel in artikel XIV 9 maar tevens in de artikels XIV 77-82 terug te vinden.

Aangaande het sluiten van overeenkomsten op afstand werden in Boek XIV ruime informatievoorschriften opgenomen en werd het bestaande herroepingsrecht in hoofde van de consument uitgebreid van zeven naar veertien kalenderdagen, dit ondanks het expliciete verzoek van bepaalde vakorganisaties om de kortere termijn te behouden. De wetgever liet wel de mogelijkheid open om de verzochte diensten toch reeds uit te voeren tijdens de periode waarin het herroepingsrecht kan worden ingeroepen, doch enkel  indien dit geschiedt op expliciet verzoek van de betrokken consument. Bovendien dient de consument dan ook voorafgaandelijk te worden geïnformeerd dat, indien hij/zij de overeenkomst alsnog zou willen herroepen, de kosten van de reeds verstrekte diensten dient te dragen. De bewijslast ter zake werd integraal bij de dienstverlener gelegd.

Tot slot kan in dit opzicht worden aangehaald dat, indien de dienst reeds volledig werd uitgevoerd, er geen herroepingsrecht bestaat, indien de consument dit voorafgaandelijk en uitdrukkelijk heeft erkend.  

Voor zover de overeenkomst wordt afgesloten buiten de gebruikelijke plaats van de beroepsbeoefening, werd een bijkomende beperking ingevoerd in die zin dat er een principieel verbod bestaat om een voorschot van betaling te ontvangen gedurende een termijn van zeven werkdagen. Een uitzondering op deze regel is van toepassing op  overeenkomsten die gesloten worden tijdens salons, beurzen of tentoonstellingen.

Conform artikel XIV 55 wordt met betrekking tot alle overeenkomsten, die voorzien in een uitgestelde levering én betaling van een voorschot, de verplichting ingevoerd tot het opstellen van een bestelbon.

Vervolgens wordt in Boek XIV de (reeds bestaande) regelgeving betreffende onrechtmatige bedingen hernomen. Zo blijft het principieel verboden om een conventioneel beding op te nemen dat (hetzij afzonderlijk, hetzij in lezing met andere bedingen) een kennelijk onevenwicht  ten nadele van de consument tot stand brengt.

Daarenboven worden in Boek XIV een aantal verboden praktijken uit Boek VI hernomen, zoals de oneerlijke en misleidende beroepspraktijken, die zowel jegens de consument als ten aanzien van andere personen strafbaar worden gesteld en ertoe dient deze personen de nodige bescherming te bieden tegen agressieve en misleidende verkoopspraktijken.

De bijzondere opsporings- en vaststellingsbevoegdheden, die met betrekking tot vermeende inbreuken op de bepalingen van Boek XIV werden toegekend aan de bevoegde overheidsdiensten, worden in Boek XIV in zekere mate beperkt. Zo kunnen  documenten of bescheiden enkel worden ingekeken nadat de tuchtrechterlijk overste van de betrokken vrije beroepsbeoefenaar heeft geoordeeld dat de verzochte inzage verzoenbaar is met de eerbiediging van het beroepsgeheim én het recht op de persoonlijke levenssfeer van de cliënt niet schendt. Het is daarenboven onmogelijk om dossiers van de vrije beroepsbeoefenaar in beslag te nemen, doch een afschrift nemen, is wel mogelijk (mits goedkeuring van de tuchrechtelijke overste).

De wetgever koos ervoor om de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend zoals in korgeding, bevoegd te maken voor elke vordering tot staking van een welbepaalde beroepspraktijk.

Tot slot dient te worden onderstreept dat meerdere bepalingen van de vroegere dienstenwetgeving van 2 augustus 2002 (zoals de vrijheid van vestiging) werden hernomen in Boek III en eveneens van toepassing zijn op de vrije beroepsbeoefenaars. In dat opzicht worden in Boek III tevens een aantal verplichtingen opgelegd die verband houden met de precontractuele informatie. Het weze opgemerkt dat de bepalingen van Boek III niet enkel kunnen worden ingeroepen door de consument, maar tevens door elke andere natuurlijke of rechtspersoon die een beroep doet op de vrije beroepsbeoefenaar, hetzij in de privésfeer, hetzij voor beroepsdoeleinden. De samenlezing van de bepalingen van Boek III en Boek XIV kan op (korte) termijn aanleiding geven tot interpretatieproblemen.

Bob Laes