Zaak Dahmane bezorgt Belgische voetbalclubs ernstige kopzorgen

Zaak Dahmane bezorgt Belgische voetbalclubs ernstige kopzorgen

De Algerijnse profvoetballer Mohamed Dahmane werd in 2007 voor een bedrag van 700.000 EUR getransfereerd van RAEC Mons naar KRC Genk, alwaar hij een contract tekende voor vier jaar.

Na enkele maanden werd Dahmane, omwille van een dispuut met de clubleiding en coach Hugo Broos, samen met Gonzague Vandooren naar de B-kern gestuurd. De betrokken spelers werden ervan beschuldigd de sfeer te verzieken binnen de spelersgroep. Kort na dit incident verbrak Dahmane op 23 januari 2008 eenzijdig zijn arbeidsovereenkomst met KRC Genk.

KRC Genk trok naar de Arbeidsrechtbank te Hasselt, die bepaalde dat de speler diens verwijzing naar de B-kern diende te aanvaarden en derhalve zijn arbeidsovereenkomst met de voetbalclub onrechtmatig had verbroken.  

Conform de relevante bepalingen van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars uit 1978 en diens uitvoeringsbesluiten (vnl. Koninklijk Besluit van 13 juli 2004) dient in dergelijk geval een verbrekingsvergoeding te worden betaald die, in geval van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur (in casu vier jaar), gelijk is aan het (bruto)loon dat normalerwijze voor de resterende termijn van de overeenkomst zou worden uitbetaald. De verbrekingsvergoeding is evenwel begrensd tot het dubbele van de vergoeding die verschuldigd zou zijn bij een onrechtmatige verbreking van een contract van onbepaalde duur (zijnde 18 maanden loon).

Gelet op deze bepalingen en de resterende looptijd van de volgens de rechtbank onrechtmatig verbroken arbeidsovereenkomst werd de middenvelder veroordeeld tot betaling aan KRC Genk van de maximale verbrekingsvergoeding van 36 maanden (18 maanden x 2), oftewel een bedrag van 880.000 EUR.

Dahmane tekende evenwel beroep aan tegen deze veroordeling.

Tijdens de appelprocedure stelde de voorzitter van het Hof zich ernstige vragen over de hoogte van de verbrekingsvergoeding die in het kader van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars verschuldigd zou zijn aan KRC Genk. Meer bepaald trok het Hof het grote onderscheid dat gemaakt wordt ten opzichte van “gewone” werknemers, die ressorteren onder het toepassingsgebied van de Arbeidsovereenkomstenwet, in twijfel.

In dat opzicht kan worden aangehaald dat “gewone” werknemers, die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur zijn aangegaan en hun overeenkomst zonder dwingende reden vroegtijdig verbreken, aan hun werkgever een vergoeding dienen te betalen die gelijk is aan de duur van de lopende arbeidsovereenkomst, doch begrensd tot het dubbele van de opzegtermijn die gerespecteerd diende te worden indien de werknemer voor onbepaalde duur zou zijn aangeworven.  Met andere woorden, indien Dahmane een “gewone” werknemer zou zijn geweest, diende hij een opzegtermijn van 4 à 5 maanden te respecteren en derhalve maximaal een verbrekingsvergoeding te betalen van 9 à 10 maanden brutoloon .

Het Arbeidshof is in haar arrest van 6 mei 2014 niet geheel onverwacht van mening dat het wettelijk onderscheid tussen professionele sportbeoefenaars enerzijds en “gewone” werknemers anderzijds op het vlak van de verbrekingsvergoedingen strijdig is met het non-discriminatiebeginsel, zoals vervat in de Belgische grondwet, en reduceerde de kwestieuze verbrekingsvergoeding tot het bedrag van 220.000 EUR (oftewel 9 maanden brutoloon).

Hoewel de uitspraak van het Hof hoegenaamd niet kan worden beschouwd als een tweede “Bosman-arrest” zoals menig media wensen te laten uitschijnen (in andere landen is de arbeidswetgeving voor betaalde sportbeoefenaars immers totaal verschillend van de onze), en de Wet Betaalde Sportbeoefenaars (en diens uitsvoeringsbesluiten) nog steeds in voege is, kan deze zaak op termijn wel een belangrijk precedent vormen.

Rechters, die in gelijkaardige geschillen gevat worden, kunnen zich immers inspireren op dit arrest om verbrekingsvergoedingen, die berekend zijn conform de bepalingen van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars, eveneens te reduceren.

Professionele sportclubs vrezen dat dit arrest tot gevolg zal hebben dat spelers sneller geneigd zullen zijn om hun lopende arbeidsovereenkomst te verbreken, indien deze spelers andere oorden wensen op te zoeken (bv. wanneer spelers langdurig op de reservenbank belanden of een transfer naar een andere club wensen te forceren).

De toekomst zal uitwijzen of deze vrees gegrond is.

Bob Laes